Het Frans (français) is de meest gesproken Gallo-Romaanse taal. Het behoort tot de grotere groep van de Romaanse talen, die alle uit het Latijn zijn voortgekomen. Het Frans is inheems in West-Europa, maar wordt als officiële taal in tientallen landen wereldwijd gesproken. Ook is er een aantal creoolse talen op basis van het Frans ontstaan.
Het Frans wijkt op een aantal belangrijke punten van de meeste andere Romaanse talen af. Ten eerste kent het Frans een verregaande afslijting van morfologische uitgangen. Ten tweede heeft het een groot aantal brekingen en klankverschuivingen, die al in het Oudfrans optraden en in het Middelfrans nog verder zijn geëvolueerd. Ten derde heeft het een licht Gallisch substraat (terug te vinden in een woord als quatre-vingt 'tachtig', letterlijk 'vier keer twintig'; in de Keltische talen telt men in twintigtallen) en een vrij ingrijpend Frankisch, vooral Nederfrankisch, superstraat, dat zich onder meer uit in de tweeledige ontkenningen ne ... pas, ne ... rien, ne ... personne, ne ... jamais enz.
De moderne Franse spelling dateert, net als die van het Engels, grotendeels van het einde van de middeleeuwen; omdat de uitspraak sindsdien vrij verregaand is veranderd, is de schrijfwijze tegenwoordig verre van fonetisch. Ze vertelt dan ook meer over de situatie in de middeleeuwen, toen alle eindletters nog werden uitgesproken (filles klonk dus zoals het geschreven werd), de ai en de oi nog wijde tweeklanken waren en de ou meer als oow klonk.
Het Frans kent, zoals alle Romaanse talen, meer werkwoordstijden en persoonsvormen dan talen als het Nederlands, terwijl hulpwerkwoorden een minder belangrijke rol spelen. Er zijn zodoende per werkwoord veel meer individuele vormen.
Een klein lesje Frans
Hallo : Bonjour
Hoe gaat het: Comment ça va?
Goed: Bien
Dank u: Merci
Alsjeblieft: s'il vous plait
Regen: Pluie
Paraplu: Un parapluie
De zon: Le soleil
Een hond: un chien
Een pet: Une casquette
Een jas: Une veste
Ik neem de trein naar Parijs - Je prends le train pour Paris
Zij rijdt in haar auto - Elle conduit sa voiture
Waar is de luchthaven? - Où est l'aéroport
Woon je in een stad of in een dorp? - Habitez-vous en ville ou à la campagne?
Is er hier een camping? - Y a-t-il un camping ici?
Waar is de supermarkt? - Où est le supermarché?
De vlinder is mooi. - Le papillon est magnifique.
Ik heb een hobby. - j'ai un passe-temps.
Ik drink koffie, thee, bier, wijn, frisdrank. - Je bois du café, du thé, de la bière, du vin et des boissons non alcoolisées.
Jij eet aardappelen met vlees en groente. - Vous mangez des pommes de terre avec de la viande et des légumes.
Hij eet een boterham. - Il mange un sandwich.
een - un
twee - deux
drie -trois
vier - quatre
vijf - cinq
zes - six
zeven - sept
acht - huit
negen - neuf
tien - dix
twintig - vingt
dertig - trente
veertig -quarante
vijftig - cinquante
zestig - soixante
zeventig - soixante-dix
tachtig - quatre-vingts
drieëntachtig - quatre-vingt-trois
negentig - quatre-vingt-dix
honderd - cent
duizend - mille
miljoen - million
miljard - milliard
vader - père
moeder - mère
zoon - fils
dochter - fille
ik spreek - je parle
jij spreekt - tu parles
hij/zij spreekt - il/elle parle
wij spreken - nous parlons
jullie spreken/u spreekt - tu parles
de talar - ils parlent
ik sprak - jag talade
jij sprak - j'ai parlé
hij/zij sprak - il/elle a parlé
wij spraken - nous avons parlé|
jullie spraken/ u sprak - tu as parlé
zij spraken - ils ont parlé
Meer leren? Hoge School van Omhuizen
Meer Frankrijk? Menu Frankrijk