Het Zweeds is nauw verwant aan de andere twee op het vasteland gesproken Scandinavische talen, het Deens en het Noors. Het Zweeds en het Noors, en in iets mindere mate het Deens, zijn onderling redelijk verstaanbaar. Sommige woorden zijn anders, grammaticaal komen de talen overeen. De spelling is wel verschillend.
De woordenschat van het Zweeds bestaat bijna geheel uit Germaanse woorden. Er zijn wel wat leenwoorden uit vooral het Latijn, Frans en (Neder)Duits. Er worden geleidelijk meer woorden uit het Engels overgenomen, al dan niet aangepast of letterlijk vertaald (leenvertaling).
De Zweedse uitspraak kenmerkt zich door een melodieus ritme (toontaal), lengteverschillen in klinkers/medeklinkers en specifieke klanken. Belangrijke regels zijn: de 'v' klinkt als 'w', 'o' wordt vaak 'oe', en 'k' wordt voor zachte klinkers i, e, ä, ö, als 'tj' (ch) uitgesproken. Het Zweeds kent extra klinkers: å (o), ä (è) en ö (e
Een klein lesje Zweeds
Hallo : Hej
Hoe gaat het: hur är det med dig?
Goed: bra
Dank u: tack så mycket
Alsjeblieft: varsågod
Sneeuw: snö
Een sneeuwscooter: een snöskoter
Noorderlicht: norrsken
Een rendier: en ren
Een muts: een hätta
Handschoenen: handskar
Ik neem de trein naar Zweden - Jag tar tåget till Sverige
Zij rijdt in haar auto - Hon kör sin bil
Waar is de luchthaven? - Var ligger flygplatsen?
Woon je in een stad of in een dorp? - Bor du i en stad eller i en by?
Is er hier een camping? - Finns det en campingplats här?
Waar is de supermarkt? - Var ligger snabbköpet?
De vlinder is mooi. - Fjärilen är vacker.
Ik heb een hobby. - Jag har en hobby.
Ik drink koffie, thee, bier, wijn, frisdrank. - Jag dricker kaffe, te, öl, vin, läsk.
Jij eet aardappelen met vlees en groente. - Du äter potatis med kött och grönsaker.
Hij eet een boterham. - Han äter en smörgås.
een - en
twee - två
drie -tre
vier - fyra
vijf - fem
zes - sex
zeven - sju
acht - åtta
negen - nio
tien - tio
twintig - tjugo
honderd - hundra
duizend - tusen
miljoen - miljoner
miljard - miljarder
vader - far
moeder - mor
zoon - son
dochter -dotter
ik spreek - jag talar
jij spreekt - du talar
hij/zij spreekt - han/hon talar
wij spreken - vi talar
jullie spreken/u spreekt - ni talar
de talar - zij spreken
ik sprak - jag talade
jij sprak - du talade
hij/zij sprak - han/hon talade
wij spraken - vi talade|
jullie spraken/ u sprak - ni talade
zij spraken - de talade
Meer leren? Hoge School van Omhuizen
Meer Zweden? Menu Zweden

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Dank voor je reactie!
Een groet van Zwerver