In tegenstelling tot andere Romaanse talen, zoals het Frans, Spaans en Portugees, kent het Italiaans geen wereldwijde verspreiding, voornamelijk omdat het Italiaanse koloniale rijk pas laat tot stand kwam vanwege de late eenwording van Italië in 1861; na de Tweede Wereldoorlog raakte het de weinige koloniale bezittingen alweer kwijt. In de 15e en 16e eeuw, in de tijd van de grote ontdekkingen door zeevarende Europese mogendheden, was het Italiaanse schiereiland verregaand verdeeld en een twistappel van Spanje, Frankrijk en het Duitse Rijk.
Een klein lesje Italiaans
Hallo : Ciao
Hoe gaat het: Come stai?
Goed: Bene
Dank u: Grazie
Alsjeblieft: Per favore
regen: pioggia ,
paraplu: ombrello
de zon: sole
een hond: un cane
een pet: un berretto
een jas: un cappotto
Ik neem de trein naar Milaan - Prenderò il treno per Milano
Zij rijdt in haar auto - Sta guidando la sua auto
Waar is de luchthaven? - Dove si trova l'aeroporto?
Woon je in een stad of in een dorp? - Vivi in città o in un villaggio?
Is er hier een camping? - C'è un campeggio qui?
Waar is de supermarkt? - Dove si trova il supermercato??
De vlinder is mooi. - La farfalla è bellissima.
Ik heb een hobby. - Ho un hobby.
Ik drink koffie, thee, bier, wijn, frisdrank. - Bevo caffè, tè, birra, vino e bibite analcoliche.
Jij eet aardappelen met vlees en groente. - Le patate si mangiano con la carne e le verdure.
Jij eet een pizza. - Stai mangiando una pizza.
een - uno
twee - due
drie -tre
vier - quattro
vijf - cinque
zes - sei
zeven - sette
acht - otto
negen - nove
tien - dieci
twintig - venti
dertig - trenta
veertig -quaranta
vijftig - cinquanta
zestig - sessanta
zeventig - settanta
tachtig - ottanta
drieëntachtig - ottantatré
negentig - novanta
honderd - cento
duizend - mille
miljoen - consumo
miljard - miliardi
vader - padre
moeder - madre
zoon - figlio
dochter - figlia
ik spreek - Io parlo
jij spreekt - tu parli
hij/zij spreekt - lui/lei parla
wij spreken - noi parliamo
jullie spreken/u spreekt - tu parli
zij spreken - parlano
ik sprak - ho parlato
jij sprak - hai parlato
hij/zij sprak - lui/lei ha parlato
wij spraken - abbiamo scritto
jullie spraken/ u sprak - hai parlato
zij spraken - hanno parlato
Meer leren? Hoge School van Omhuizen
Meer Italië? Menu Italië

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Dank voor je reactie!
Een groet van Zwerver